Werkwoordenblok 11
De stam Om de persoonsvorm van een werkwoord juist te kunnen schrijven, zoek je de stam van het werkwoord.Die vind je door 'ik' voor het werkwoord te plaatsen.schieten --> ik schietJe hebt niet altijd de juiste stam als je –en van het hele werkwoord afhaalt. Soms moet je de stam nog veranderen.gapen --> niet ik gap, maar ik gaap = een extra klinker toevoegenwinnen --> niet ik winn, maar ik win = een medeklinker weghalenniezen --> niet ik niez, maar ik nies = z wordt sverven --> niet ik verv, maar ik verf = v wordt f Zoek de persoonsvorm in elke zin. Staat hij in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd? Geef telkens de infinitief en de stam. zin tegenwoordige tijd (tt) of verleden tijd (vt) infinitief (ik zal ... ) stam (ik ...) Papa werkte een tijdje in nachtdienst. vt werken werk Thomas vindt altijd een reden om iets niet te doen. tt vinden vind Zij neemt altijd haar verantwoordelijkheid. tt nemen neem Brachten zij een mooi geschenk mee van hun wereldreis? vt brengen breng Gelukkig overleefden zij het ongeval! vt overleven overleef Opa staat te supporteren voor zijn kleinzoon. tt staan sta De douane controleert de brandstof van de auto's. tt controleren controleer Vorig jaar dronken de autobestuurders gelukkig minder alcohol. vt drinken drink Een aardbeving verwoest heel wat huizen. tt verwoesten verwoest Op 4000 m hoogte sprongen de parachutisten uit het vliegtuig. vt springen spring Hockey wordt een topsport in België. tt worden word Wij trokken met onze tent door de Dolomieten. vt trekken trek