Deel 6: de vraagwoorden
1) Schrijf het correcte vraagwoord: Wie, wat of waar? Waar ben jij geboren? In Aalst.Wie is de koning van België? Filip.Met wie is hij getrouwd? Met Mathilde.Waar wonen zij? In Brussel.Wie komt uit Italië? Paola.Wat eet zij? Een broodje met kaas.Wat studeer jij? Nederlands.Waar ben jij getrouwd? In Madrid. 2) Schrijf het correcte vraagwoord: Waar of wanneer? 1) Wanneer heb jij les? Op maandag.2) Waar heb jij les? In de Meuleschettestraat.3) Waar doe jij boodschappen? In de Aldi.4) Wanneer doe jij boodschappen? Op zaterdag.5) Wanneer drinken we koffie? In de pauze.6) Waar drinken we koffie? In de cafetaria.7) Waar zijn de kinderen? Bij mijn zus. 3) Schrijf het correcte vraagwoord:hoe / hoeveel / wanneer / waar / welk / welke / wie / wat 1) Hoe ga jij naar school? (Met de bus).2) Wat is je naam? (Rachid.)3) Hoeveel kinderen heb jij? (3 kinderen)4) Waar werk jij? (In Brussel)5) Uit welk land komt zij? (Zij komt uit België.)6) Waar ben jij geboren? (Ik ben geboren in België.)7) Wanneer studeer jij? (In de namiddag)8) Welke talen spreek jij? (Nederlands, Frans en Engels)9) Hoeveel kinderen heb jij? (twee)10) Hoe oud is je broer? (Hij is 32 jaar.)11) Wanneer verjaar jij? (Ik verjaar op 1 juli.)12) Hoeveel kost het boek? (22 euro)13) Hoe laat is het examen? (Het examen is om 10:00.)14) Waar woont Karel? (Hij woont in Gent.)15) Wanneer is zij geboren? (Zij is geboren in 1974.)16) Welke datum is het vandaag? (Het is vandaag 15 maart.)17) Wat is leeftijd? (leeftijd is 'hoeveel jaar ben jij?’).18) Wie poetst in je huis? (mijn vrouw).19) Wanneer doe jij boodschappen? (op dinsdag).20) Hoe gaat het? (Het gaat wel.)