WERKWOORDEN OEFENEN

Worksheet by Laura Nollet
WERKWOORDEN OEFENEN worksheet preview image
Subjects
Other
Grades
100
Language
NLD
Assignments
8 classrooms used this worksheet
Teacher Feedback
1 comments

Vervoeg het werkwoord in de TEGENWOORDIGE TIJD (OTT). 1 (staren) Ik staar door het raam.2 (planten) Moeder plant de zaadjes in de moestuin.3 (timmeren) Nicole timmert de boomhut in elkaar.4 (halen) Wij halen brood bij de bakker.5 (wedden) Ik wed dat hij zal opgeven.6 (porren ) De jongens porren de meisjes om hun aandacht te trekken.7 (slagen) De studente slaagt voor het grote examen.8 (antwoorden) Antwoordt niemand correct op de schiftingsvraag?9 (blinddoeken) Michelle blinddoekt haar broer voor hij op de piñata slaat.10 (missen) De bal mist op een haar na mijn hoofd.1 (dansen) Wij dansen de hele avond!2 ( vergroten ) De meester vergroot de affiche.3 (realiseren) Ik realiseer mij dat de cake nog in de oven staat.4 (haten ) Ze roept dat ze me haat .5 ( staren) Oma staart door het keukenraam.6 ( doden) De kat doodt het vogeltje.7 (schrobben) Ik schrob de badkamervloer.8 (vegen) Wij vegen dinsdag de klas.9 (reizen) Deze zomer reizeneen vriend en ik door Griekenland.10 (stoven) Jullie stoven het witloof in de grote rode kookpot. Vervoeg het werkwoord in de VERLEDEN TIJD (OVT). 1 (staren) Ik staarde door het raam.2 (planten) Moeder plantte de zaadjes in de moestuin.3 (timmeren) Nicole timmerde de boomhut in elkaar.4 (halen) Wij haalden brood bij de bakker.5 (wedden) Ik wedde dat hij zal opgeven.6 (porren ) De jongens porde de meisjes om hun aandacht te trekken.7 (slagen) De studente slaagdevoor het grote examen.8 (antwoorden) Antwoordde niemand correct op de schiftingsvraag?9 (blinddoeken) Michelle blinddoektehaar broer voor hij op de piñata slaat.10 (missen) De bal miste op een haar na mijn hoofd.1 (dansen) Wij dansten de hele avond!2 ( vergroten ) De meester vergrootte de affiche.3 (realiseren) Ik realiseerde mij dat de cake nog in de oven staat.4 (haten ) Ze roept dat ze me haatte .5 ( staren) Oma staarde door het keukenraam.6 ( doden) De kat doodde het vogeltje.7 (schrobben) Ik schrobde de badkamervloer.8 (vegen) Wij veegden dinsdag de klas.9 (reizen) Deze zomer reisdeneen vriend en ik door Griekenland.10 (stoven) Jullie stoofden het witloof in de grote rode kookpot. Zet het vervoegde werkwoord in de juiste kolom. OTT ben was (wassen) heeft kijkt zoeken OVT zocht was had waste keek Vervoeg het werkwoord in de TEGENWOORDIGE TIJD (OTT). 1 (lachen) Jij lacht om elke grap.2 (verzoenen) Onze ploeg verzoent zich met de tegenstanders.3 (trachten) ’s Morgens tracht ik om vroeg op te staan.4 (aanvaarden) Mama aanvaardt mijn bitse opmerking niet.5 (slopen) Jullie slopen het tuinhuis met gemak.6 (landen) De kat landt sierlijk op de grond.7 (zakken) Mijn kleine broer zakt door zijn beentjes.8 (oefenen) Wij oefenen elke middag voor een groepsdans.9 (stoefen) Papa stoeft met zijn nieuwe auto.10 (rotten) De appels rotten in de fruitmand.1 (gebeuren) Elke dag gebeurt er wel iets bijzonders.2 (schudden) Jij schudt alle kaarten.3 (inladen) Mama laadt de koffer in .4 (vertellen) Mijn tante vertelt graag sprookjes.5 (raden ) Maurice raadt wat we morgen zullen eten.6 (geloven) Ik geloof mijn ogen niet!7 (melden) De leerkracht meldt het probleem bij de directie.8 (beweren) Beweren jullie dat het slecht weer is in Italië?9 (haasten ) De buurvrouw haast zich naar de winkel.10 (redden) Ik red het nooit alleen! Vervoeg het werkwoord in de VERLEDEN TIJD (OVT). 1 (lachen) Jij lachtte om elke grap.2 (verzoenen) Onze ploeg verzoendezich met de tegenstanders.3 (trachten) ’s Morgens trachtte ik om vroeg op te staan.4 (aanvaarden) Mama aanvaardde mijn bitse opmerking niet.5 (slopen) Jullie sloopten het tuinhuis met gemak.6 (landen) De kat landde sierlijk op de grond.7 (zakken) Mijn kleine broer zakte door zijn beentjes.8 (oefenen) Wij oefenden elke middag voor een groepsdans.9 (stoefen) Papa stoeftemet zijn nieuwe auto.10 (rotten) De appels rotten in de fruitmand.1 (gebeuren) Elke dag gebeurde er wel iets bijzonders.2 (schudden) Jij schudde alle kaarten.3 (inladen) Mama laadde de koffer in .4 (vertellen) Mijn tante vertelde graag sprookjes.5 (raden ) Maurice raaddewat we morgen zullen eten.6 (geloven) Ik geloofde mijn ogen niet!7 (melden) De leerkracht meldde het probleem bij de directie.8 (beweren) Beweerden jullie dat het slecht weer is in Italië?9 (haasten ) De buurvrouw haastte zich naar de winkel.10 (redden) Ik redde het nooit alleen! Verbind de werkwoorden met de juiste uitleg. Sterke werkwoorden... leer je uit je hoofd. Zwakke werkwoorden... volgen de regel van 'T KoFSCHiP. Vervoeg de werkwoorden in de TEGENWOORDIGE TIJD (OTT). 1 (wedden) Ik wed dat het morgen zal regenen.2 (bevestigen) Hij bevestigt de treinreservatie.3 (schrobben ) Jij schrobt het bad.4 (praten) Wij praten over koetjes en kalfjes.5 (vergoeden) Vergoed jij de zonnepanelen?6 (bouwen) Bob bouwt een boomhut.7 (vorderen) De werken vorderen .8 (verven) De schilders verven het plafond.9 (reizen) Ik reis het liefst per trein.10 (redden) Lara redt een eekhoorntje.1 (verbazen) Je typische gedrag verbaast me niet.2 (verloten ) Hij verloot zijn fiets.3 (tobben) Vincent tobt over zijn familie.4 (vrezen ) Ik vrees niets of niemand.5 (stoven) Tom stooft zijn zus een kool.6 (braden) Ik braad de kippenbouten.7 (haten) Ik haat regenweer.8 (doden) Hij doodt de tijd met puzzelen.9 (verwoesten) Dennis verwoest ons tuinhek.10 (posten) Jullie posten foto’s op Instagram.1 (resten) Er rest mij geen andere keuze.2 (kosten) Een roggebrood kost iets meer.3 (storten) Ik stort me op m’n schoolwerk.4 (stoten) Thomas stoot zich tegen de tafel.5 (tochten) Het tocht hier.6 (hechten) De chirurg hecht de wonde.7 (berichten) Hij bericht ons over de aanval.8 (vergroten) De juf vergroot het werkblad.9 (rusten) Ik rust uit tijdens de middag.10 (vasten) Jullie vasten net voor Pasen.1 (witten) Kris wit het plafond.2 (zetten) Mama zet ’s ochtends koffie.3 (spurten) De jongens spurten op de looppiste.4 (pesten) Mijn broer pest me soms.5 (planten) De leerlingen planten een appelboom.6 (scheppen) Ze schept grind in de betonmolen.7 (breien) Ik brei een warme muts.8 (stappen) Elke dag stap ik een kilometer.9 (boffen) Wat bof ik toch met mijn ouders!10 (rammelen) Door de harde wind rammelen de luiken. Vervoeg de werkwoorden in de VERLEDEN TIJD (OVT). 1 (wedden) Ik weddedat het morgen zal regenen.2 (bevestigen) Hij bevestigde de treinreservatie.3 (schrobben ) Jij schrobde het bad.4 (praten) Wij praatten over koetjes en kalfjes.5 (vergoeden) Vergoedde jij de zonnepanelen?6 (bouwen) Bob bouwde een boomhut.7 (vorderen) De werken vorderden .8 (verven) De schilders verfden het plafond.9 (reizen) Ik reisde het liefst per trein.10 (redden) Lara reddeeen eekhoorntje.1 (verbazen) Je typische gedrag verbaasde me niet.2 (verloten ) Hij verlootte zijn fiets.3 (tobben) Vincent tobdeover zijn familie.4 (vrezen ) Ik vreesde niets of niemand.5 (stoven) Tom stoofde zijn zus een kool.6 (braden) Ik braadde de kippenbouten.7 (haten) Ik haatte regenweer.8 (doden) Hij doodde de tijd met puzzelen.9 (verwoesten) Dennis verwoestte ons tuinhek.10 (posten) Jullie postten foto’s op Instagram.1 (resten) Er restte mij geen andere keuze.2 (kosten) Een roggebrood kostte iets meer.3 (storten) Ik stortte me op m’n schoolwerk.4 (stoten) Thomas stootte zich tegen de tafel.5 (tochten) Het tochtte hier.6 (hechten) De chirurg hechtte de wonde.7 (berichten) Hij berichtte ons over de aanval.8 (vergroten) De juf vergrootte het werkblad.9 (rusten) Ik rustte uit tijdens de middag.10 (vasten) Jullie vastten net voor Pasen.1 (witten) Kris witte het plafond.2 (zetten) Mama zette ’s ochtends koffie.3 (spurten) De jongens spurtten op de looppiste.4 (pesten) Mijn broer pestte me soms.5 (planten) De leerlingen plantten een appelboom.6 (scheppen) Ze schepte grind in de betonmolen.7 (breien) Ik breide een warme muts.8 (stappen) Elke dag stapte ik een kilometer.9 (boffen) Wat bofte ik toch met mijn ouders!10 (rammelen) Door de harde wind rammelden de luiken. Lees de tekst en schrijf deze tekst over in de verleden tijd. Ik ben mevrouw Laura en ik heb een nieuwe fiets.Ik fiets graag in Kortrijk.Ik ben heel voorzichtig wanneer ik door de straten rijd.Ik heb namelijk schrik om te vallen.Elke dag loop ik in de tuin.Het is heel mooi weer buiten.Toch mis ik de school en de leerlingen uit de blauwe klas.Dus schrijf ik een klein briefje voor hen. Teken hier wat je mist van school.

Use This Worksheet