2.3 schriftelijk het gebruik van 'zou'

Worksheet by Machteld Claes
2.3 schriftelijk
het gebruik van 'zou' worksheet preview image
Subjects
German
Grades
100
Language
NLD
Assignments
15 classrooms used this worksheet

Zou... De infinitief is zullen.We gebruiken zullen in het futurum (‘zal’ in het singularis).Zouden is dan het imperfectum van zullen.Zou(den) heeft verschillende functies: Oefening: beleefde vraag - advies - wens Lees de situatie en maak een correcte zin met ‘zou(den)’.Tussen haakjes staat welke functie van ‘zou’ je moet gebruiken. 1. Je bent de vorige keer je klantenkaart thuis vergeten. De kassierster heeft toen je punten op je ticket vermeld en nu zou je willen dat zij deze punten op je klantenkaart noteert. (beleefde vraag) 2. Je gaat naar de klerenwinkel. Je vindt die broek wel mooi. Je vraagt of je ze mag passen. (beleefde vraag) 3. Een collega is ziek en heeft koorts. Het lukt niet meer goed om te werken. Je raadt aan de dokter te raadplegen. (advies) 4. Een jonge vrouw (of man) leert met de auto rijden. Een familielid rijdt mee. Het lukt niet zo goed. Het familielid geeft de raad autorijsschool te volgen. (advies) 5. Enkele studenten hebben veel vragen over de betekenis van Nederlandse woorden. De lerares (of leraar) raadt aan een goed woordenboek te kopen. (advies) 6. Een cursist ziet er heel moe en ziek uit. Je raadt hem / haar aan om naar huis te gaan en te rusten. (advies) 7. Je hebt deze avond een romantisch avondje gepland met je man Je vraagt aan het buurmeisje om op je kindje te komen babysitten. (beleefde vraag) 8. Je wil een lekkere cake bakken, maar je hebt geen suiker meer. Vraag aan je buurvrouw of je een kopje suiker mag lenen. (beleefde vraag) 9. Je wil voor je vrienden en familie een feestje organiseren. Je vraagt aan je beste vriendin om je te komen helpen. (beleefde vraag) EXTRA: 'zou' als onzekere informatie Een andere functie van ‘zou(den)’ is het onzeker maken van informatie.Voorbeeld: Hij eetelke dag een groot pak friet met mayonaise.-> Dit is een feit, ik weet het zeker.Voorbeeld: Hij zouelke dag een groot pak friet met mayonaise eten.-> Deze informatie is onzeker. Ik heb het gehoord of gelezen, maar ik weet het niet zeker. Het is misschien zo, maar misschien ook niet. Oefening: maak de informatie onzeker met 'zou' Voorbeeld: 1. Zij hebben hun nieuwe villa verkocht.Zij zouden hun nieuwe villa verkocht hebben.2. Peter rookt elke dag 3 sigaren.Peter zou elke dag 3 sigaren roken.3. Mijn broer zijn fiets is gestolen.Mijn broer zijn fiets zou gestolen zijn.4. Gaan zij volgende week naar zee?Zouden zij volgende week naar zee gaan?5. Zij gaat met de auto naar school.Zij zou met de auto naar school gaan.6. Hij heeft gisteren een nieuwe boekentas gekocht.Hij zou gisteren een nieuwe boekentas gekocht hebben.7. Haar zoontje eet graag spaghetti met tomatensaus.Haar zoontje zou graag spaghetti met tomatensaus eten.8. Zij gaan volgend jaar naar Thailand op reis.Zij zouden volgend jaar naar Thailand op reis gaan.9. Hij heeft zijn vrouw bedrogen.Hij zou zijn vrouw bedrogen hebben.10. Zijn ouders hebben een roze Porsche gekocht.Zijn ouders zouden een roze Porsche gekocht hebben.

Use This Worksheet