OAC 1 Hoofdpijn
Learn about headaches: migraine, tension, cervicogenic, and cluster. Discover the cervical spine's link to your pain.
1. Waarom gaan slechts enkele patiënten naar de huisarts wanneer zij hoofdpijn hebben? De meeste mensen voelen zich niet ongerust De meeste mensen maken zich zorgen over het disfunctioneren Omdat de meeste mensen last hebben van spanningshoofdpijn (78 %) Patiënten tussen 15-35 jaar maken zich niet zo snel ongerust 2. In de inleiding werd gesproken van een "aura". Dit geeft oa vlekken voor de ogen. Benoem zoveel mogelijk symptomen die kunnen duiden op een aura. 3. Je hebt informatie opgezocht over verschillende vormen van hoofdpijn. Het herkennen van deze vormen is van belang binnen de diagnostiek. Match herkende symptomen en vorm van hoofdpijn. Migraine Aura Migraine Enkelzijdig Migraine Overgevoeligheid voor licht EN geluid Migraine Misselijkheid en braken Cervicogene hoofdpijn Enkelzijdig, altijd dezelfde zijde Cervicogene hoofdpijn Gevoeligheid van schedelrand Spannings hoofdpijn (TTH) Gevoeligheid voor licht Spannings hoofdpijn (TTH) Gevoeligheid voor geluid Spannings hoofdpijn (TTH) Drukkende pijn Cluster hoofdpijn Lange periodes klachtenvrij Cluster hoofdpijn Stekende pijn temporaal of rond één oog Videofragment 1-5 (onderdeel van de PPT bij OAC 1 FMH) Bekijk het fragment en beschrijf in vraag 4 de anatomische opbouw van het hoog-cervicale complex. 4. Beschrijf na het bekijken van de video de anatomische opbouw van het hoog-cervicale complex. 5. Je ziet het hoog cervicale complex met de biarticulaire ligamenten. De achterste boog van C1 is verwijderd. Vul in van boven naar beneden, welke 6 anatomische structuren je herkent. 1 2 3 4 5 6 6. De bewegingen van de hoogcervicale regio worden mede gestuurd en geremd door een uitgebreid en slim opgebouwd ligamentair systeem Benoem drie bi-articulaire ligamenten op niveau C0-C2 7. Waar is het lig. transversum atlantis gelokaliseerd. Beschrijf kort Videofragment 2-5 (onderdeel van de PPT bij OAC 1 FMH). Beschrijf hierna in eigen woorden welke rol de dens speelt in de cervicale wervelkolom in vraag 8. 8. Na het bekijken van het videofragment beschrijf je in eigen woorden welke rol de dens speelt in de cervicale wervelkolom. 9. De bewegingen van de hoogcervicale regio worden mede gestuurd en geremd door een uitgebreid en slim opgebouwd ligamentair systeem. Hoe komt het dat de mono articulaire ligamenten op C0-C1 en C1-C2 maar weinig invloed hebben op de sturing van de hoog cervicale wervelkolom? 10. De ligg. alaria en apicis dentis spelen bij de biomechanica van de hoogcervicale wervelkolom een centrale rol om de dens axis tussen de condylen van de schedel te houden. Dit heeft de volgende consequenties voor de osteo- en artrokinematica van de hoogcervicale wervelkolom Koppel de juiste oorzaak-gevolg relaties flexie van C0-C2 veroorzaakt een extensie van C2 op C3 extensie van C0-C2 veroorzaakt een flexie van C2 op C3 lateroflexie van C0-C2 veroorzaakt een homonieme rotatie van C1-C2 rotatie van C0-C2 veroorzaakt een heteronieme lateroflexie op C0-C1 11. Het is van belang dat de manueeltherapeut een indruk heeft over het functioneren van het hoogcervicale ligamentaire systeem – en vooral het lig. transversum atlantis – om rekening te kunnen houden met veranderingen in het biomechanisch bewegingsgedrag.Op welke wijze zal een insufficiënt lig. transversum atlantis het biomechanisch bewegingsgedrag in de hoogcervicale wervelkolom veranderen? Markeer elk antwoord dat juist is. Bij flexie op C0-C1 zal nu een extensie op C2-C3 plaatsvinden De dens axis zal dan te ver naar dorsaal door bewegen Bij flexie op C0-C1 zal nu ook een flexie op C2-C3 plaatsvinden, waardoor het ligament ontspant. De dens axis zal dan te ver naar ventraal door bewegen. De remming van het lig. valt weg, waardoor de dens axis tegen het ruggenmerg kan drukken. Videofragment 3-5 (onderdeel van de PPT bij OAC 1 FMH). Beschrijf in vraag 12 die hierop volgt hoe het anatomische verloop van de a. vertebralis is. 12. Beschrijf hoe het anatomische verloop van de a. vertebralis is. 13. Een patiënt presenteert zich met duizeligheid en een onstabiel gevoel bij lopen. Het komt soms zomaar en duurt enkele minuten en kan dan ook weer verdwijnen vertelt de patiënt. Soms is er ook sprake van misselijkheid. Benoem drie anamnesevragen die je deze patiënt wilt stellen om vast te kunnen stellen of het hier gaat om cervicogene duizeligheid obv cervicale arteriële dysfunctie. 14. Leg aan een patiënt uit waarom je de zogenaamde veiligheids tests zal uitvoeren. Benoem de drie veiligheids tests die je kent en vertel de patiënt wat hij kan verwachten per test. Tests: Uitleg aan de patiënt: OAC hoofdpijn deel 4 Beschrijf de patiënt zo, dat je hem zelf zou kunnen spelen. Zorg dus voor voldoende herkenbare details passend bij de vorm van hoofdpijn die je gekozen hebt. 15. Schrijf een korte casus waarin de patiënt een primaire vorm van hoofdpijn heeft. (Bekijk eerst het videofragment). OAC hoofdpijn deel 5 16. Formuleer onderzoeks doelstellingen gerelateerd aan de onderzoeksinterventies die voortkomen uit de artikelen (zoals besproken in het videofragment). 17. Eén van de onderdelen van het diagnostisch cluster voor cervicogene hoofdpijn is hypertonie.Het gaat hier met name om: Palpabele hypertonie van de m. trapezius Palpabele pijn langs de achterhoofdsrand Stijfheid bij de korte flexie van de nek Stijfheid bij rotatie van de nek Schrijf een patiëntinstructie bij onderstaande oefening. Leg hierbij ook de werking en het doel van de oefening uit.