Spelling blok 2 week 4 les 4
Schrijf de volgende dikgedrukte werkwoorden op in de tegenwoordige tijd.Voorbeeld: Zij liep naar het trottoir. Antwoord: loopt1. Hij streed tot het einde.2. Sneed je het touw los?3. Zij werd er misselijk van.4. Ik vermeed dat gedrag.5. Dat gold ook voor jou.6. Hij bood zijn excuses aan. Schrijf het zo op:1= ....2=..... Verbindt de categorieën met het juiste woord. het symbool lollywoord privé caféwoord plumeau cadeauwoord courgette routewoord giraffes garagewoord cliënt tremawoord solidair militairwoord na-apen koppelteken Zet de woorden in de juiste categorie. hulpwerkwoord heeft is zijn hebben bijvoeglijk naamwoord plaatselijke historische zeldzame Middeleeuwse voltooid deelwoord gegooid gevierd verslagen onderschat Maak van de volgende woorden een werkwoord.Voorbeeld: de etalage wordt etaleren.1. het fototoestel2. de telefoon3. de agenda4. de operatie5. de fabriek6. de massage Doe het zo:1= ...2= ... Vandaag doen we het dictee op deze manier. Klik op 'voice' en je hoort het woord dat je moet opschrijven. Denk aan de categorieën.