Werkwoordenblok 8
Tegenwoordige en verleden tijd herkennen Zinnen in de tegenwoordige tijd (tt) beschrijven iets wat nu of in de toekomst gebeurt.Ik fiets vandaag naar school.Als je de verleden tijd (vt) gebruikt dan zeg je dat er iets al is gebeurd.Ikfietste gisteren naar school. Zet deze korte zinnen in de juiste kolom. Is het tegenwoordige of verleden tijd? tegenwoordige tijd De juf vertelt. De directeur zwijgt. De architect tekent. De kleuters praten. De bouwvakker metst. Niemand liegt. De huisvrouw veegt. De atleet springt. De supporter roept. Niemand vecht. De peuter scheurt. De kinderen glunderen. verleden tijd De auto's reden. Papa droomde. Zus schrok. De meisjes zongen. We schaatsten. Mijn ouders aten. Opa tuinierde. Kleine zus sliep. De baby dronk. Papa kocht. De zon verblindde. De winnaar verwachtte. Oma kuchte Wij fietsten.