Activiteiten (deel 8)
1) Activiteiten Schrijf de infinitief van het verbum boodschappen doen dansen op restaurant gaan naar de radio luisteren lopen koken 2) Activiteiten Schrijf de infinitief van het verbum wandelen op café gaan poetsen voetballen naar tv kijken naar de cinema gaan 3) Activiteiten Schrijf de infinitief van het verbum stofzuigen zwemmen lezen winkelen Zij kijkt naar tv. Zij kijk naar tv. Zij kijken naar tv. Ze luister naar de radio. Zij luisteren naar de radio. Ze luistert naar de radio. Ze fietsen. Zij fietst. Zij fiesten. Lopen ik loop jij (= je) loopt hij (=ze)/ u loopt wij lopen jullie lopen zij (= ze) lopen Wassen ik was jij (= je) wast hij (=ze)/ u wast wij wassen jullie wassen zij (= ze) wassen Op café gaan ik ga op café jij (= je) gaat op café hij (=ze)/ u gaat op café wij gaan op café jullie gaan op café zij (= ze) gaan op café strijken ik strijk jij (= je) strijkt hij (=ze)/ u strijkt wij strijken jullie strijken zij (= ze) strijken